rekening
zelfstandig naamwoord ˈrekəˌnɪŋBetekenis
- de optelsom van te betalen bedragen
- bankrekening
- boekhoudkundige staat onderverdeeld in debet en credit
- rekenmethode toegepast voor het oplossen van een klasse van problemen
Hoe spreek je rekening uit?
/ˈrekəˌnɪŋ/
Rekening bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord
- optelsom van te betalen bedragen
- mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rekeningen | meervoud |
| rekeningetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rekeningetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
naamwoord van handeling van rekenen met het achtervoegsel -ing **[2] (verkorting) van bankrekening
Woordfamilie van rekening
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rekeningen | meervoud | rekening |
| rekeningetje | verkleinwoord | rekening |
| rekeningetjes | verkleinwoord meervoud | rekening |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rekening zijn vastgelegd.