Naar de inhoud

certificeren

het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)

certificeren

werkwoord

Betekenis

  1. het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)

Vervoeging van certificeren

certificerenhele werkwoord — certificeerdeverleden tijd enkelvoud — certificeerdenverleden tijd meervoud — gecertificeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik certificeer certificeerde
jij certificeert certificeerde
hij, zij, het certificeert certificeerde
wij certificeren certificeerden
jullie certificeren certificeerden
zij certificeren certificeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
certificeer gebiedende wijs
certificeerde verleden tijd
certificere aanvoegende wijs
certificerend onvoltooid, deelwoord
er is gecertificeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecertificeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecertificeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecertificeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecertificeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecertificeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecertificeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecertificeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecertificeerd verleden tijd, deelwoord
gecertificeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecertificeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecertificeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecertificeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecertificeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecertificeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecertificeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecertificeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecertificeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecertificeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecertificeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecertificeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecertificeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecertificeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecertificeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecertificeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecertificeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecertificeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te certificeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecertificeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen certificeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gecertificeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecertificeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gecertificeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecertificeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gecertificeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gecertificeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gecertificeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gecertificeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gecertificeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecertificeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gecertificeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt certificeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecertificeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecertificeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen certificeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecertificeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecertificeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecertificeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult certificeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecertificeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecertificeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecertificeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘voor echt verklaren’ voor het eerst aangetroffen in 1370

Woordfamilie van certificeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
certificeer gebiedende wijs certificeren
certificeerde verleden tijd certificeren
certificeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon certificeren
certificeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon certificeren
certificere aanvoegende wijs certificeren
certificerend onvoltooid deelwoord certificeren
certificerende woordvorm certificeren
gecertificeerd voltooid deelwoord certificeren
gecertificeerde woordvorm certificeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van certificeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over certificeren

Wat betekent certificeren?
Certificeren is een werkwoord. Het woord betekent: het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven).
Hoe vervoeg je certificeren?
Je vervoegt certificeren als volgt: de tegenwoordige tijd is certificeer, de verleden tijd is certificeerde en het voltooid deelwoord is gecertificeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord certificeren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. E 1
  3. R 2
  4. T 2
  5. I 1
  6. F 4
  7. I 1
  8. C 5
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

certificeren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. E 1
  3. R 2
  4. T 2
  5. I 2
  6. F 4
  7. I 2
  8. C 5
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 zonder bonus
  14. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

certificeren in het kort

certificeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van certificeren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort certificeren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

certificeren: het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)
Deel certificeren — standaardnederlands.nl