bus
zelfstandig naamwoord bʏsBetekenis
- vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers (autobus)
- een blikken bewaardoos met deksel (blik, blikje)
- collectebus
- postbus, brievenbus
- een standaardmethode voor het verbinden van de onderdelen van een computer
- bus
Hoe spreek je bus uit?
/bʏs/
Bus bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als buzz.
zelfstandig naamwoord — masculine
- blikken bewaardoos waarvan de hoogte groter is dan de breedte, vaak met de vorm van een cilinder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| busje | verkleinwoord, enkelvoud |
| busjes | verkleinwoord, meervoud |
| bussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘doos, blik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van bus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| busje | verkleinwoord | bus |
| busjes | verkleinwoord meervoud | bus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bus zijn vastgelegd.