pot
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɔtBetekenis
- cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk dat meestal dient om iets te bewaren (verpakking)
- vrouw die zich seksueel aangetrokken voelt tot vrouwen
- potten
- inmaken
- pan, (in betekenis 1)
- bloempot
- kookpan, kookpot
- po
- toilet
- prijs (een cumulatief bedrag)
- pens, buik
- marihuana, weed, wiet
- (voor verschillende doeleinden)
- (vergezeld van een lichte maaltijd of hapjes)
- zweet; transpiratie, transpiratievocht
- peetoom
- peettante
Hoe spreek je pot uit?
/pɔt/
Pot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kookpot
- toiletpot
- spaarpot; bij uitbreiding financiële reserve in het algemeen
- pint, glas bier
- geheel van door de spelers ingezette bedragen, gebruikt als beloning voor de winnaars
- ronde informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| potje | verkleinwoord |
| potjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| potten | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord
- vrouw die zich seksueel aangetrokken voelt tot andere vrouwen pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van potten
- gebiedende wijs van potten
Vervoeging van pot
pothele werkwoord
Woordfamilie van pot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| potjes | verkleinwoord | pot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pot zijn vastgelegd.