trommel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtrɔməlBetekenis
- een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
- een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos
Hoe spreek je trommel uit?
/ˈtrɔməl/
Trommel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trommels | meervoud |
| trommeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trommeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trommelen
- gebiedende wijs van trommelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trommelen
Vervoeging van trommel
trommelhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands trommel (als onderdeel van trommelstock mogelijk afgeleid van trom met het achtervoegsel -el, van trommelen ww of van Middelnederduits trummel; in de betekenis van ‘slaginstrument’ aangetroffen vanaf 1538
Woordfamilie van trommel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trommels | meervoud | trommel |
| trommeltje | verkleinwoord | trommel |
| trommeltjes | verkleinwoord meervoud | trommel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trommel zijn vastgelegd.