bursaal
zelfstandig naamwoord bʏr'salBetekenis
- een student die geld krijgt via een beurs
- assistent in opleiding die wordt gezien als een student die een beurs krijgt en niet als een medewerker die een salaris verdient
Hoe spreek je bursaal uit?
/bʏrˈsal/
Bursaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| s | sok |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bursalen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘beursstudent’ voor het eerst aangetroffen in 1592
Woordfamilie van bursaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bursalen | meervoud | bursaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bursaal zijn vastgelegd.