emeritus
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord eˈmeriˌtʏsBetekenis
- van een hoogleraar of geestelijke dat deze, na goede vervulling van zijn ambt, zijn functie heeft neergelegd
Hoe spreek je emeritus uit?
/eˈmeriˌtʏs/
Emeritus bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| m | maan |
| r | rood |
| i | riet |
| t | tak |
| ʏ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- van een hoogleraar of geestelijke dat deze, na goede vervulling van zijn ambt, zijn functie heeft neergelegd (zijn emeritaat heeft)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| emeriti | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- rustend
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zijn ambt neergelegd hebbend’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Woordfamilie van emeritus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emeriti | meervoud | emeritus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emeritus zijn vastgelegd.