plus
voegwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord plʏsBetekenis
- en, daarbij
- rekenkunde|rekenkundige operatie
- +: teken voor (optelling van) positieve getallen
- overdrachtelijk: een voordeel
- groter dan nul
- positief geladen
- groter dan het gemiddelde of de middelwaarde
- minus
- en
- vermeerderd met (-)
- symbool om een positieve waarde of een optelling aan te geven
- een voordeel
- een overwicht van inkomsten over uitgaven
- —
- pozitivum
- přebytek
- deficit
- +
- a
- minus , bez
Hoe spreek je plus uit?
/plʏs/
Plus bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ʏ | put |
| s | sok |
voegwoord
- rekenkundige operatie
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plussen
- gebiedende wijs van plussen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plussen
Vervoeging van plus
plushele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plusteken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1537
Woordfamilie van plus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plusje | woordvorm | plus |
| plusjes | meervoud | plus |
| plussen | meervoud | plus |
| geplust | woordvorm | plussen |
| plusse | woordvorm | plussen |
| plussend | woordvorm | plussen |
| plussende | woordvorm | plussen |
| plust | woordvorm | plussen |
| pluste | woordvorm | plussen |
| plusten | woordvorm | plussen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plus zijn vastgelegd.