mus
zelfstandig naamwoord mʏsBetekenis
- een zangvogel behorend tot de wevervogels die zelden ver van de mensen nestelt.
- muis
- rat, marter, sabelmarter e.a.
- muis of spitsmuis
- lafaard
- muis, computermuis
- een vulgair woord voor vrouwelijk geslachtsdeel
- een taxonomische familie van knaagdieren
- must
- mousse
- noodzakelijkheid, verplichting
Hoe spreek je mus uit?
/mʏs/
Mus bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ʏ | put |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor vogels uit de familie Passeridae, behorend tot de wevervogels die zelden ver van de mensen nestelen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| musje | verkleinwoord, enkelvoud |
| musjes | verkleinwoord, meervoud |
| mussen | meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands mussche en muska van laat Latijn muscio, in de betekenis van ‘zangvogel’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van mus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| musje | verkleinwoord | mus |
| musjes | verkleinwoord meervoud | mus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mus zijn vastgelegd.