judaskus
zelfstandig naamwoord ˈjydɑsˌkʏsBetekenis
- vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
Hoe spreek je judaskus uit?
/ˈjydɑsˌkʏs/
Judaskus bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| y | fuut |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| k | kat |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Judaskus | |
| judaskusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| judaskusjes | verkleinwoord, meervoud |
| judaskussen | meervoud |
Herkomst
eponiem, van Middelnederlands Judaskus, samenstelling van Judas en "de discipel van Jezus " en kus zn , verwijzing naar de begroeting van Judas die daarmee zijn leermeester Jezus Christus aanwees zodat de Romeinse autoriteiten hem konden arresteren, zie Marcus 14:44-45 en Matteüs 26:48-49, geschreven met een kleine letter volgens spellingregel 16.D; in de betekenis van ‘verraderlijke kus’ aangetroffen vanaf 1470
Woordfamilie van judaskus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| judaskusje | verkleinwoord | judaskus |
| judaskusjes | verkleinwoord meervoud | judaskus |
| judaskussen | meervoud | judaskus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van judaskus zijn vastgelegd.