testament
zelfstandig naamwoord ˌtɛstaˈmɛntBetekenis
- herroepbare akte met een verklaring waarin een overledene voor diens dood heeft laten vastleggen wat er te doen staat met de nalatenschap
- één van de twee boekdelen van de bijbel
Hoe spreek je testament uit?
/ˌtɛstaˈmɛnt/
Testament bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- notariële of onderhandse akte met persoonlijke, eenzijdig herroepbare verklaring(en), de uiterste wilsbeschikkingen, waarin een erflater bij leven bepaalt wat er na overlijden met zijn nalatenschap gebeurt, het wettelijke begrip is uiterste wil
- elk van de twee boekdelen van de Bijbel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| testamenten | meervoud |
| testamentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| testamentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands testament van Latijn testamentum, in de betekenis van ‘beschikking voor na de dood’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van testament
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| testamenten | meervoud | testament |
| testamentje | verkleinwoord | testament |
| testamentjes | verkleinwoord meervoud | testament |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van testament zijn vastgelegd.