test
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tɛst/Betekenis
- probeersel
- praktische controle op een bepaalde eigenschap
- toets, examen
- pot of schotel bijv. fruittest
- hoofd
- praktische controle op een bepaalde eigenschap.
- aan een blootstellen
- proef, , toets
- toets; een hulpmiddel om (1) te kunnen uitvoeren
- testování
- kvíz
- schoonvader; de vader van de huwelijkspartner
Hoe spreek je test uit?
/tɛst/
Test bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| testen | enkelvoud |
| testje | verkleinwoord |
| testjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| tests | enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van testen
- gebiedende wijs van testen
Vervoeging van test
testhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kom’ voor het eerst aangetroffen in 1367
Woordfamilie van test
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| testje | verkleinwoord | test |
| testjes | verkleinwoord | test |
| tests | enkelvoud | test |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van test zijn vastgelegd.