tent
zelfstandig naamwoord tɛntBetekenis
- verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
- café, restaurant of andere openbare plek
- aangedraaid
- ontstoken
Hoe spreek je tent uit?
/tɛnt/
Tent bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- openbare plek (bijv. een café of restaurant) of andere openbare gelegenheid; bij uitbreiding ook een bepaalde leefruimte in het algemeen informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tenten | meervoud |
| tentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tentjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord
- voorwerp om een wond nader mee te onderzoeken, zoals een stift
- peilstang
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tenten | meervoud |
| tentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
zelfstandig naamwoord: Via Frans tente zn van het Latijnse voltooid deelwoord tendita (› tendere). In de betekenis van ‘tijdelijk verblijf uit licht materiaal’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
zelfstandig naamwoord: Via Middelnederlands tente / tinte van Frans tente zn (doublet met tent [A])
Woordfamilie van tent
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tentje | verkleinwoord | tent |
| tentjes | verkleinwoord meervoud | tent |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tent zijn vastgelegd.