argument
zelfstandig naamwoord /ˌɑrɣyˈmɛnt/Betekenis
- een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
- een reden om iets te doen
- een variabele waar een functie van afhangt
- ruzie
Hoe spreek je argument uit?
/ˌɑrxyˈmɛnt/
Argument bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| x | acht |
| y | fuut |
| m | maan |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- zinsdeel dat een thematische rol heeft bij een zelfstandig werkwoord in dezelfde zin
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| argumenten | meervoud |
| argumentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| argumentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bewijsgrond’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van argument
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| argumenten | meervoud | argument |
| argumentje | verkleinwoord | argument |
| argumentjes | verkleinwoord meervoud | argument |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van argument zijn vastgelegd.