component
zelfstandig naamwoord kɔmpo'nɛntBetekenis
- bestanddeel, onderdeel, één van de onderling verschillende deel|delen van een geheel
- hoogwaardige manier om een video signaal opslaan|op te slaan middels een zwart-wit signaal en twee kleur-verschil signalen. (Y(helderheid) + B-Y + R-Y)
Hoe spreek je component uit?
/kɔmpoˈnɛnt/
Component bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| p | pak |
| o | boot |
| n | nek |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bestanddeel, onderdeel, een van de onderling verschillende delen van een geheel
- hoogwaardige manier om een video signaal op te slaan middels een zwart-wit signaal en twee kleur-verschil signalen. (Y(helderheid) + B-Y + R-Y)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| componenten | meervoud |
| componentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| componentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘samenstellend deel’ voor het eerst aangetroffen in 1901
Woordfamilie van component
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| componenten | meervoud | component |
| componentje | verkleinwoord | component |
| componentjes | verkleinwoord meervoud | component |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van component zijn vastgelegd.