overlijden
werkwoord ˌovərˈlɛidə(n)Betekenis
- ophouden met leven
Hoe spreek je overlijden uit?
/ˌovərˈlɛidən/
Overlijden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ophouden met leven, meestal gezegd van mensen (oorspronkelijk als eufemisme) ergative
- van de ene naar de andere toestand overgaan obsolete
Vervoeging van overlijden
overlijdenhele werkwoord — overleedverleden tijd enkelvoud — overledenverleden tijd meervoud — overledenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overlijd | overleed |
| jij | overlijdt | overleed |
| hij, zij, het | overlijdt | overleed |
| wij | overlijden | overleden |
| jullie | overlijden | overleden |
| zij | overlijden | overleden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| overleden | verleden tijd, deelwoord |
| overleden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overleden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overleed | verleden tijd |
| overlijd | gebiedende wijs |
| overlijde | aanvoegende wijs |
| overlijdend | onvoltooid, deelwoord |
| te overlijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn overleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overlijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn overleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overlijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘sterven’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van overlijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overleed | verleden tijd | overlijden |
| overlijd | gebiedende wijs | overlijden |
| overlijde | aanvoegende wijs | overlijden |
| overlijdend | onvoltooid deelwoord | overlijden |
| overlijdende | woordvorm | overlijden |
| overlijdens | meervoud | overlijden |
| overlijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overlijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overlijden zijn vastgelegd.