faillissement
zelfstandig naamwoord /ˌfajisəˈmɛnt/Betekenis
- de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
- een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
Hoe spreek je faillissement uit?
/ˌfajisəˈmɛnt/
Faillissement bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| j | ja |
| i | riet |
| s | sok |
| ə | de |
| m | maan |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| faillissementen | meervoud |
| faillissementje | verkleinwoord, enkelvoud |
| faillissementjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘het failliet gaan of zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1582
Woordfamilie van faillissement
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faillissementen | meervoud | faillissement |
| faillissementje | verkleinwoord | faillissement |
| faillissementjes | verkleinwoord meervoud | faillissement |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van faillissement zijn vastgelegd.