advent
zelfstandig naamwoord /ɑtˈfɛnt/Betekenis
- een periode van vier weken voor Kerstmis
- de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
- advent (tijdperiode).
- advent.
- advent (tijdperiode)
- een periode van vier weken tot kerstmis.
- een periode van vier weken tot kerstmis
Hoe spreek je advent uit?
/ɑtˈfɛnt/
Advent bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adventen | meervoud |
| adventje | verkleinwoord, enkelvoud |
| adventjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘naderende komst (des Heren)’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van advent
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adventen | meervoud | advent |
| adventje | verkleinwoord | advent |
| adventjes | verkleinwoord meervoud | advent |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van advent zijn vastgelegd.