opbouw
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔbɑuBetekenis
- het opbouwen (- opbouwdrank, pensioenopbouw)
- hoe iets is samengesteld, de samenstelling
- bouw, structuur, constructie geplaatst bovenop een bestaande (romp)
Hoe spreek je opbouw uit?
/ˈɔbɑu/
Opbouw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- het opbouwen (-> opbouwdrank, pensioenopbouw)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opbouwen | meervoud |
| opbouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| opbouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opbouwen
Vervoeging van opbouw
opbouwhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van opbouwen ww zonder het achtervoegsel -en
Woordfamilie van opbouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opbouwtje | verkleinwoord | opbouw |
| opbouwtjes | verkleinwoord meervoud | opbouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbouw zijn vastgelegd.