plusstrook
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een extra linker rijstrook op de autosnelweg die gecreëerd is door de andere rijstroken smaller te maken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plusstroken | meervoud |
| plusstrookje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plusstrookjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Samenstelling van plus en strook
Woordfamilie van plusstrook
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plusstroken | meervoud | plusstrook |
| plusstrookje | verkleinwoord | plusstrook |
| plusstrookjes | verkleinwoord meervoud | plusstrook |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plusstrook zijn vastgelegd.