planten
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈplɑntənBetekenis
- een taxonomische groep waarvan de meeste leden uit cellulose bestaande celwanden hebben en aan fotosynthese doen
- (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
Hoe spreek je planten uit?
/ˈplɑntən/
Planten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- taxonomisch rijk Plantae of Archaeplastida, waarvan de meeste leden uit cellulose bestaande celwanden hebben en aan fotosynthese doen
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plant
werkwoord
- in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien transitive
- neerzetten figuratively
Vervoeging van planten
plantenhele werkwoord
Herkomst
[1] plant zn met de uitgang -en
Woordfamilie van planten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplant | woordvorm | planten |
| plante | woordvorm | planten |
| plantend | woordvorm | planten |
| plantende | woordvorm | planten |
| plantte | woordvorm | planten |
| plantten | woordvorm | planten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van planten zijn vastgelegd.