mandaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lastgeving
- opdracht krachtens welke men een functie vervult
- bevelschrift
- pauselijke verordening
- (België) voordracht van een kandidaat op de verkiezingslijst
zelfstandig naamwoord — neuter
- voordracht van een kandidaat op de verkiezingslijst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mandaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mandaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| mandaten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘lastbrief’ voor het eerst aangetroffen in 1573.
Woordfamilie van mandaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mandaatje | verkleinwoord | mandaat |
| mandaatjes | verkleinwoord meervoud | mandaat |
| mandaten | meervoud | mandaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mandaat zijn vastgelegd.