klok
zelfstandig naamwoord, werkwoord, tussenwerpsel klɔkBetekenis
- een instrument dat de tijd bijhoudt
- een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
- een akoustisch waarschuwingsmiddel waarmee men geluidssignalen aan de bevolking kan geven
- het geluid van een vloeistof die schoksgewijs door een vernauwing stroomt
- het geluid dat vogels als kippen en kalkoenen maken tijdens het uitbroeden van eieren en het grootbrengen van kuikens
klok in een zin
- De klok in de gang loopt een minuut voor.
- Om twaalf uur luidde de klok van de kerk.
- In het museum hingen wel twintig klokken.
Hoe spreek je klok uit?
/klɔk/
Klok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɔ | bot |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klokjes | verkleinwoord, meervoud |
| klokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klokken
- gebiedende wijs van klokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klokken
Vervoeging van klok
klokhele werkwoord
Herkomst
zn: via Middelnederlands clocke van Oudiers clocc (Iers clog) dat zelf een klanknabootsing is, in de betekenis van ‘bel, uurwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1237; vergelijk Angelsaksisch clucge, Oudnoords klukka
Woordfamilie van klok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klokjes | verkleinwoord meervoud | klok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klok zijn vastgelegd.