klokken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een tijd opnemen
- een geluid voortbrengen dat als 'klok' klinkt
- snel drinken
werkwoord
- een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
Vervoeging van klokken
klokkenhele werkwoord — klokteverleden tijd enkelvoud — kloktenverleden tijd meervoud — gekloktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klok | klokte |
| jij | klokt | klokte |
| hij, zij, het | klokt | klokte |
| wij | klokken | klokten |
| jullie | klokken | klokten |
| zij | klokken | klokten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geklokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geklokt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geklokt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geklokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geklokt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geklokt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geklokt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geklokt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geklokt | verleden tijd, deelwoord |
| geklokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geklokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geklokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geklokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geklokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geklokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geklokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geklokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geklokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geklokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geklokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klok | gebiedende wijs |
| klokke | aanvoegende wijs |
| klokkend | onvoltooid, deelwoord |
| klokte | verleden tijd |
| te hebben geklokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te klokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geklokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geklokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord klok
Herkomst
Een klanknabootsend woord (onomatopee).
Woordfamilie van klokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geklokt | voltooid deelwoord | klokken |
| geklokte | woordvorm | klokken |
| klokt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klokken |
| klokte | verleden tijd | klokken |
| klokten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klokken zijn vastgelegd.