schok
zelfstandig naamwoord, werkwoord sxɔkBetekenis
- een plotsklapse en hevige beweging
- een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
- een blootstelling aan een elektrische potentiaal
- zestigtal
- twintigtal
Hoe spreek je schok uit?
/sxɔk/
Schok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɔ | bot |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schokjes | verkleinwoord, meervoud |
| schokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schokken
- gebiedende wijs van schokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schokken
Vervoeging van schok
schokhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘telwoord:’ voor het eerst aangetroffen in 60
Woordfamilie van schok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schokje | verkleinwoord | schok |
| schokjes | verkleinwoord meervoud | schok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schok zijn vastgelegd.