rok
zelfstandig naamwoord, werkwoord rɔkBetekenis
- een voornamelijk vrouwelijk (in Schotland ook voor mannen) buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de taille wordt gedragen en een deel van de benen bedekt
- type avondkleding, rokkostuum
- jaar
- jurk
- rock
- rook; een zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt
- jaar; een periode van 1 januari tot 31 december
- jaar; de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen
- jaar; een periode van twaalf maanden of korter verbonden met een bepaalde activiteit
- jaar; de duur van de omloop van een planeet om haar ster
- kalendářní rok
- (in meervoud) léta
- r.
- bespreking, discussie
Hoe spreek je rok uit?
/rɔk/
Rok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als rock.
zelfstandig naamwoord — masculine
- een voornamelijk door vrouwen (in o.a. Schotland ook door mannen) gedragen buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de taille wordt gedragen en een deel van de benen bedekt
- membraan [1], omhullend vlies, tunica [3]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rokjes | verkleinwoord, meervoud |
| rokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rokken
- gebiedende wijs van rokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rokken
Vervoeging van rok
rokhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands roc van Oudnederlands rok, in de betekenis van ‘kledingstuk’ aangetroffen vanaf 1100
Woordfamilie van rok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rokje | verkleinwoord | rok |
| rokjes | verkleinwoord meervoud | rok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rok zijn vastgelegd.