stok
zelfstandig naamwoord, werkwoord /stɔk/Betekenis
- langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven (van toon), steken, te likken of te prikken
- voorraad speelkaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan men kan nemen of kopen
- een gedeelte van een stuk (effect, cheque) zonder het betalings- of ontvangstbewijs, souche, talon
- helling (van een berg of heuvel)
- samenvloeiing; bij elkaar komen van stromen zodat ze één geheel gaan vormen
Hoe spreek je stok uit?
/stɔk/
Stok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als stock.
zelfstandig naamwoord — masculine
- langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven , steken, te likken of te prikken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stock | |
| stokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stokjes | verkleinwoord, meervoud |
| stokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stokken
- gebiedende wijs van stokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stokken
Vervoeging van stok
stokhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tak, staaf’ voor het eerst aangetroffen in 1197
Woordfamilie van stok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stokje | verkleinwoord | stok |
| stokjes | verkleinwoord meervoud | stok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stok zijn vastgelegd.