tijd
zelfstandig naamwoord, bijwoord tɛitBetekenis
- de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
- de tijd: de rust
- een een tijdsduur
Hoe spreek je tijd uit?
/tɛit/
Tijd bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛi | trein |
zelfstandig naamwoord — masculine
- onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
- duur van de gelegenheid om iets te doen
- gemeten duur waarbinnen een bepaalde prestatie is geleverd als maatstaf voor succes
- bepaalde periode waarin iets gebeurt
- bepaald moment waarop iets gebeurt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tijden | meervoud |
| tijdje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tijdjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordfamilie van tijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tijde | masculine | tijd |
| tijden | meervoud | tijd |
| tijdje | verkleinwoord | tijd |
| tijdjes | verkleinwoord meervoud | tijd |
| tijds | masculine | tijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tijd zijn vastgelegd.