klokkenluider
zelfstandig naamwoord ˈklɔkə(n)ˌlœydərBetekenis
- iemand die de klok luidt (van een kerk)
- werknemer die misstanden in zijn bedrijf of organisatie naar buiten brengt
Hoe spreek je klokkenluider uit?
/ˈklɔkənˌlœydər/
Klokkenluider bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɔ | bot |
| ə | de |
| n | nek |
| œy | huis |
| d | dak |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klokkenluiders | meervoud |
| klokkenluidertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klokkenluidertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘personeelslid dat misstanden binnen de organisatie openbaar maakt’ voor het eerst aangetroffen in 1987
Woordfamilie van klokkenluider
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klokkenluiders | meervoud | klokkenluider |
| klokkenluidertje | verkleinwoord | klokkenluider |
| klokkenluidertjes | verkleinwoord meervoud | klokkenluider |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klokkenluider zijn vastgelegd.