blok
zelfstandig naamwoord, werkwoord blɔkBetekenis
- een vaak hoekig massief stuk materiaal
- een draaischijf waaromheen een touw kan worden gevoerd om een goede trekrichting te verkrijgen of om de benodigde trekkracht op het touw te verminderen, katrol
- een onderdeel dat de buis van een eindgeblazen fluit afsluit en een luchtkanaal openlaat dat gericht is op het labium, de lip
- samenvoeging van een verzameling gelijksoortige elementen bijv. huizenblok
- een fysiek record dat ontstaat door samenvoeging van gelijksoortige logische records
- verzameling gelijksoortig denkende partijen bijv. handelsblok, machtsblok
- aaneengesloten periode die besteed wordt aan één zaak
- volleybal: verhinderen dat de tegenstander de bal hard over het net slaat door op dat punt met gestrekte armen en handen op te springen
- aanpassing van de registratie van iemand die zich bij het bewerken van een wiki ongewenst gedraagt zodat deze geen nieuwe bewerkingen meer kan doen
- een serie van aangrenzende groepen
- in volleybal het verhinderen dat de tegenstander de bal hard over het net slaat door op dat punt met gestrekte armen en handen op te springen
- notitieblok; een aantekenboekje met afscheurbare blaadjes
- een vaak hoekig massief stuk materiaal, in het Mofers meestal met betrekking tot hout
- een stuk materiaal
- startblok; hulpmiddel dat door bepaalde sporters gebruikt wordt om een snelle start te maken
- blokkering, blokkade; obstructie, belemmering, verstopping
- een verzameling statements en declaraties
- (meestal in meervoud) startblok; hulpmiddel dat door bepaalde sporters gebruikt wordt om een snelle start te maken
- zápisník
- kus
- skupina
- zaseknutí
- bloky
Hoe spreek je blok uit?
/blɔk/
Blok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɔ | bot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vaak hoekig massief stuk materiaal
- draaischijf waaromheen een touw kan worden gevoerd om een goede trekrichting te verkrijgen of om de benodigde trekkracht op het touw te verminderen
- onderdeel dat de buis van een eindgeblazen fluit afsluit en een luchtkanaal openlaat dat gericht is op het labium, de lip
- fysiek record dat ontstaat door samenvoeging van gelijksoortige logische records
- verbond van personen of organisaties met dezelfde belangen of opvattingen
- elk van de baanvakken waarin een spoorweg door seinen verdeeld is en waarbinnen slechts één trein tegelijk aanwezig mag zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blokje | verkleinwoord |
| blokjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| blokken | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- intensieve studie no-plural
- periode van intensieve studie no-plural
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blokken
- gebiedende wijs van blokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blokken
Vervoeging van blok
blokhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] blok | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blokken
- gebiedende wijs van blokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blokken
Vervoeging van blok
blokhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] blok | canonical |
Woordfamilie van blok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blokje | verkleinwoord | blok |
| blokjes | verkleinwoord | blok |
| bloks | meervoud | blok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blok zijn vastgelegd.