bok
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord bɔkBetekenis
- mannelijke geit
- toestel bij het turnen
- mennerszitplaats bij een rijtuig, plaats waar de machinist zit in een trein of tram
- platform waarop een dirigent voor het orkest staat
- zware hijskraan
- ondersteuning waarop zware toestellen kunnen geplaatst worden
- speelsteen bij het sjoelen die boven op een andere belandt of anderszins niet vlak op de ondergrond van de bak blijft liggen
- uitroep aan het eind van een zin als iemand met z'n mond vol tanden staat
- bok; geitachtigen
- antilope
- een toestel bij het turnen
- wildsbok
- kant, zijde
- pagina, bladzijde
- boek
- boek (afgesloten deelgebied van een boek)
- boek voor inschrijvingen (notitieboek, dagboek)
- een boekachtig onderwerp (pocketboek)
- beuk
- een beuken voorwerp
- zij; één van beide kanten van een lichaam
- zijde, kant
- (bij rundvlees) vang, (bij varkensvlees) varkensbuik, buikvlees
- helling
- strana
- (bij varkensvlees) bůček
- úbočí
Hoe spreek je bok uit?
/bɔk/
Bok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als bock.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bokjes | verkleinwoord, meervoud |
| bokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bokken
- gebiedende wijs van bokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bokken
Vervoeging van bok
bokhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands boc van Oudnederlands buk, in de betekenis van ‘mannetje van de geit’ voor het eerst aangetroffen in 901 De overige betekenissen berusten waarschijnlijk op een vergelijking van de vorm met een bok die zich op vier poten schrap zet.
Woordfamilie van bok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bokjes | verkleinwoord meervoud | bok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bok zijn vastgelegd.