brok
zelfstandig naamwoord, werkwoord brɔkBetekenis
- een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
- een restant van een constructie
- hagel; een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel.
Hoe spreek je brok uit?
/brɔk/
Brok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord
- blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
- restant van een constructie
- man of mens figuratively, informal, person
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brokjes | verkleinwoord, meervoud |
| brokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
- gebiedende wijs van brokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
Vervoeging van brok
brokhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stuk’ voor het eerst aangetroffen in 1484
Woordfamilie van brok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brokje | verkleinwoord | brok |
| brokjes | verkleinwoord meervoud | brok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brok zijn vastgelegd.