nok
zelfstandig naamwoord nɔkBetekenis
- het hoogste gedeelte van een schuin dak
- horizontale snijlijn van twee dakschilden
- een uitstulping op een as waarmee het openen en sluiten van de kleppen wordt gestuurd
- uiteinde van een mast of een paal op een schip
- genoeg, voldoende
- nog
- peer
Hoe spreek je nok uit?
/nɔk/
Nok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɔ | bot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bovenste snijlijn van twee dakschilden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nokjes | verkleinwoord, meervoud |
| nokken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘hoogste deel van dak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1412
Woordfamilie van nok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nokje | verkleinwoord | nok |
| nokjes | verkleinwoord meervoud | nok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nok zijn vastgelegd.