gok
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣɔkBetekenis
- een zeker kansspel, vooral met dobbelstenen
- een keuze zonder het juiste antwoord te weten
- een buitensporig grote neus
Hoe spreek je gok uit?
/xɔk/
Gok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɔ | bot |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als chok.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gokjes | verkleinwoord, meervoud |
| gokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gokken
- gebiedende wijs van gokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gokken
Vervoeging van gok
gokhele werkwoord
Herkomst
[1], [2]: via Bargoens en Jiddisch (zchok) “plezier, spel” van Hebreeuws צְחוֹק zn (tschok) "gelach, plezier", in de betekenis van “(kans)spel”, aangetroffen begin 20e eeuw (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van gok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gokje | verkleinwoord | gok |
| gokjes | verkleinwoord meervoud | gok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gok zijn vastgelegd.