klokhuis
zelfstandig naamwoord ˈklɔkhœysBetekenis
- binnenste van een vrucht
Hoe spreek je klokhuis uit?
/ˈklɔkhœys/
Klokhuis bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɔ | bot |
| h | hoed |
| œy | huis |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- binnenste van vruchten als appels en peren, met een holle ruimte voor de pitten
- bouwsel waarin luidklokken hangen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klokhuisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klokhuisjes | verkleinwoord, meervoud |
| klokhuizen | meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands clochuus, op te vatten als samenstelling van klok zn "luidklok" en huis zn "behuizing" **[1] (figuurlijk) gebruikt, omdat de holle ruimte voor de pitten doet denken aan de ruimte waarin klokken hangen, in de betekenis van ‘zaadhuisje van appels en peren’ voor het eerst aangetroffen in 1500
Woordfamilie van klokhuis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klokhuisje | verkleinwoord | klokhuis |
| klokhuisjes | verkleinwoord meervoud | klokhuis |
| klokhuizen | meervoud | klokhuis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klokhuis zijn vastgelegd.