shock
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ʃɔk/Betekenis
- een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem. Let op, emotionele of psychologische shock heeft niets met het medische begrip shock te maken!!
- heftige emotie
Hoe spreek je shock uit?
/ʃɔk/
Shock bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| ɔ | bot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem. Let op, emotionele of psychologische shock heeft niets met het medische begrip shock te maken!!
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| shockje | verkleinwoord, enkelvoud |
| shockjes | verkleinwoord, meervoud |
| shocks | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shocken
- gebiedende wijs van shocken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shocken
Vervoeging van shock
shockhele werkwoord
Herkomst
van het Engels
Woordfamilie van shock
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| shockje | verkleinwoord | shock |
| shockjes | verkleinwoord meervoud | shock |
| shocks | meervoud | shock |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van shock zijn vastgelegd.