uniformrok
zelfstandig naamwoord ˈynifɔrᵊmˌrɔkBetekenis
- onderdeel van de volgens voorschrift gelijke kleren die leden van een bepaalde groep dragen, bestaand uit kokervormig textiel dat om het middel over een deel van de benen hangend wordt gedragen. Dit is meestal bestemd voor vrouwen.
- jasje dat de bovenkant van de broek op zijn minst van achteren bedekt, als onderdeel van een officiers- of ambtskostuum. Dit zijn meestal bestemd voor mannen.
Hoe spreek je uniformrok uit?
/ˈynifɔrəmˌrɔk/
Uniformrok bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| y | fuut |
| n | nek |
| i | riet |
| f | fiets |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- onderdeel van de volgens voorschrift gelijke kleren die leden van een bepaalde groep dragen, bestaand uit kokervormig textiel dat om het middel over een deel van de benen hangend wordt gedragen Dit is meestal bestemd voor vrouwen.
- jasje dat de bovenkant van de broek op zijn minst van achteren bedekt, als onderdeel van een officiers- of ambtskostuum Dit zijn meestal bestemd voor mannen. obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uniformrokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uniformrokjes | verkleinwoord, meervoud |
| uniformrokken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van uniform zn en rok zn
Woordfamilie van uniformrok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uniformrokje | verkleinwoord | uniformrok |
| uniformrokjes | verkleinwoord meervoud | uniformrok |
| uniformrokken | meervoud | uniformrok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uniformrok zijn vastgelegd.