avondklok
zelfstandig naamwoord ˈavɔntˌklɔkBetekenis
- verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
- klok, met een eigen, herkenbare klank die in kloosters of steden werd geluid bij het vallen van de avond en die het tijdstip aangaf dat de poort tot de ochtend werd gesloten, zodat niemand erin of eruit kon
Hoe spreek je avondklok uit?
/ˈavɔntˌklɔk/
Avondklok bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| v | vis |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| k | kat |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| avondklokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| avondklokjes | verkleinwoord, meervoud |
| avondklokken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van avond zn en klok zn
Woordfamilie van avondklok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| avondklokje | verkleinwoord | avondklok |
| avondklokjes | verkleinwoord meervoud | avondklok |
| avondklokken | meervoud | avondklok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van avondklok zijn vastgelegd.