rock
zelfstandig naamwoord, werkwoord /rɔk/Betekenis
- een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaar|gitaren
- een dansstijl horende bij deze muziekstijl
- (zelfstandig naamwoord) Van Middelengels rocke/rokke, van Oudengels *rocc, van Oudnormandisch roc/roque (verwant aan het moderne Franse roche). Oorspronkelijk waarschijnlijk Keltisch, vanwege de overeenkomst met het Ierse roc en het Bretonse roch.
- (werkwoord) Van Middelengels rokken, van Oudengels roccian. Verwant met het Oudnoorse rykkja (trekken, scheuren, bewegen), Middelnederlands rucken (modern Nederlands rukken), Oudhoogduits rucchan (modern Duits rücken).
- rots
- steen
- gesteente
- ijsklontje
- suikerklontje
- (muziek- en/of dansstijl, afkorting van rock and roll)
- Afrikaner
- dom persoon
- stukje crack (cocaïne)
- heen en weer bewegen
- opschudden, een emotioneel evenwicht doorbreken
- uitmunten
- een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
Hoe spreek je rock uit?
/rɔk/
Rock bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als rok.
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rocken
- gebiedende wijs van rocken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rocken
Vervoeging van rock
rockhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘muzieksoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1965