pok
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɔkBetekenis
- puist, zweertje of kuiltje als symptoom van een huidziekte zoals pokken, koepokken en waterpokken|water- of windpokken.
- litteken van een inenting tegen een pokziekte, vooral de pokken
Hoe spreek je pok uit?
/pɔk/
Pok bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- puist, blaasvormig zweertje of kuiltje als symptoom van een huidziekte zoals pokken, koepokken en water- of windpokken.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pokjes | verkleinwoord, meervoud |
| pokken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pokken
- gebiedende wijs van pokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pokken
Vervoeging van pok
pokhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘puistje’ voor het eerst aangetroffen in 1401.
Woordfamilie van pok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pokje | verkleinwoord | pok |
| pokjes | verkleinwoord meervoud | pok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pok zijn vastgelegd.