enkelband
zelfstandig naamwoord ˈɛŋkəlˌbɑntBetekenis
- een gewrichtsband van de enkel
- een band die om de enkel wordt gedragen
- een band om de enkel met een zendertje dat gedragen wordt als straf en men niet de locatie mag verlaten
Hoe spreek je enkelband uit?
/ˈɛŋkəlˌbɑnt/
Enkelband bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| enkelbanden | meervoud |
| enkelbandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| enkelbandjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van enkel en band
Woordfamilie van enkelband
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| enkelbanden | meervoud | enkelband |
| enkelbandje | verkleinwoord | enkelband |
| enkelbandjes | verkleinwoord meervoud | enkelband |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van enkelband zijn vastgelegd.