enkel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onbepaald voornaamwoord ˈɛŋkəlBetekenis
- gewricht dat de voet met het been verbindt
- enkelspel
- niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
- niet dubbel
- niet meer dan
- weinig, een paar
- enkel, simpel, sober
- bescheiden, natuurlijk
- zonder extra kosten.
- eenvoudig, gemakkelijk
- enkel, eenvoudig, gemakkelijk
- bescheiden, eenvoudig, natuurlijk, schamel, simpel, sober, zonder extra kosten
- niet dubbel of meervoudig
Hoe spreek je enkel uit?
/ˈɛŋkəl/
Enkel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| enkels | meervoud |
| enkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| enkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- alleen maar
Herkomst
In de betekenis van ‘voetgewricht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van enkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| enkels | meervoud | enkel |
| enkeltjes | verkleinwoord meervoud | enkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van enkel zijn vastgelegd.