variant
zelfstandig naamwoord ˌvariˈjɑntBetekenis
- vorm die enigszins van de tot dan gebruikelijke afwijkt
Hoe spreek je variant uit?
/ˌvariˈjɑnt/
Variant bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| a | maan |
| r | rood |
| i | riet |
| j | ja |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vorm die enigszins van het gebruikelijke afwijkt, terwijl het in de basis wel om hetzelfde gaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| varianten | meervoud |
| variantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| variantjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afwijking van de norm’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van variant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| variantje | verkleinwoord | variant |
| variantjes | verkleinwoord meervoud | variant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van variant zijn vastgelegd.