tranen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtranə(n)Betekenis
- het afscheiden van tranen.
Hoe spreek je tranen uit?
/ˈtranən/
Tranen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het afscheiden van tranen unergative
Vervoeging van tranen
tranenhele werkwoord — traandeverleden tijd enkelvoud — traandenverleden tijd meervoud — getraandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | traan | traande |
| jij | traant | traande |
| hij, zij, het | traant | traande |
| wij | tranen | traanden |
| jullie | tranen | traanden |
| zij | tranen | traanden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getraand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getraand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getraand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getraand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getraand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getraand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getraand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getraand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getraand | verleden tijd, deelwoord |
| getraand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getraand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getraand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getraand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getraand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getraand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getraand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getraand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getraand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getraand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getraand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getraand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tranen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tranen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| traan | gebiedende wijs |
| traande | verleden tijd |
| trane | aanvoegende wijs |
| tranend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getraand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tranen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tranen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getraand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tranen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord traan
Woordfamilie van tranen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getraand | voltooid deelwoord | tranen |
| traande | verleden tijd | tranen |
| traanden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tranen |
| traant | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tranen |
| trane | aanvoegende wijs | tranen |
| tranend | onvoltooid deelwoord | tranen |
| tranende | woordvorm | tranen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tranen zijn vastgelegd.