traanbeen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- één van de beederen van de schedel
zelfstandig naamwoord — neuter
- een van de beederen van de schedel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| traanbeenderen | meervoud |
| traanbeentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| traanbeentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van traan en been
Woordfamilie van traanbeen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| traanbeenderen | meervoud | traanbeen |
| traanbeentje | verkleinwoord | traanbeen |
| traanbeentjes | verkleinwoord meervoud | traanbeen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traanbeen zijn vastgelegd.