pijnboom
zelfstandig naamwoord /'pɛinbom/Betekenis
- een naaldboom uit het geslacht van de dennenfamilie
Hoe spreek je pijnboom uit?
/ˈpɛinbom/
Pijnboom bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| b | bak |
| o | boot |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor naaldbomen uit het geslacht van de dennenfamilie, Pinus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijnbomen | meervoud |
| pijnboompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pijnboompjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands pinbom, op te vatten als samenstelling van pijn zn en boom zn ; in de betekenis van ‘naaldboom’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van pijnboom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pijnbomen | meervoud | pijnboom |
| pijnboompje | verkleinwoord | pijnboom |
| pijnboompjes | verkleinwoord meervoud | pijnboom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pijnboom zijn vastgelegd.