pijnappel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een houtige zaaddoos van een aantal naaldbomen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijnappelen | meervoud |
| pijnappels | meervoud |
| pijnappeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pijnappeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van pijn zn "naaldboom" en appel zn
Woordfamilie van pijnappel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pijnappelen | meervoud | pijnappel |
| pijnappels | meervoud | pijnappel |
| pijnappeltje | verkleinwoord | pijnappel |
| pijnappeltjes | verkleinwoord meervoud | pijnappel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pijnappel zijn vastgelegd.