ontsnappen
werkwoordBetekenis
- aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
- tijdens een wedstrijd door middel van een tempoversnelling uit een peloton of groep weg fietsen
werkwoord
- ontkomen aan een beklemmende situatie
Vervoeging van ontsnappen
ontsnappenhele werkwoord — ontsnapteverleden tijd enkelvoud — ontsnaptenverleden tijd meervoud — ontsnaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsnap | ontsnapte |
| jij | ontsnapt | ontsnapte |
| hij, zij, het | ontsnapt | ontsnapte |
| wij | ontsnappen | ontsnapten |
| jullie | ontsnappen | ontsnapten |
| zij | ontsnappen | ontsnapten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsnap | gebiedende wijs |
| ontsnappe | aanvoegende wijs |
| ontsnappend | onvoltooid, deelwoord |
| ontsnapt | verleden tijd, deelwoord |
| ontsnapt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsnapt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsnapte | verleden tijd |
| te ontsnappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontsnapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontsnappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontsnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontsnapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontsnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontsnapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontsnapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontsnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontsnapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontsnapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontsnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontsnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontsnappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontsnappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontsnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ontkomen’ voor het eerst aangetroffen in 1648
Woordfamilie van ontsnappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsnap | gebiedende wijs | ontsnappen |
| ontsnappe | aanvoegende wijs | ontsnappen |
| ontsnappend | onvoltooid deelwoord | ontsnappen |
| ontsnappende | woordvorm | ontsnappen |
| ontsnapt | voltooid deelwoord | ontsnappen |
| ontsnapte | verleden tijd | ontsnappen |
| ontsnapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontsnappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontsnappen zijn vastgelegd.