ontkomen
werkwoord ɔntˈkomə(n)Betekenis
- ergens aan ontsnappen
Hoe spreek je ontkomen uit?
/ɔntˈkomən/
Ontkomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| k | kat |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontkomen
ontkomenhele werkwoord — ontkwamverleden tijd enkelvoud — ontkwamenverleden tijd meervoud — ontkomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontkom | ontkwam |
| jij | ontkomt | ontkwaamt |
| hij, zij, het | ontkomt | ontkwam |
| wij | ontkomen | ontkwamen |
| jullie | ontkomen | ontkwamen |
| zij | ontkomen | ontkwamen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontkom | gebiedende wijs |
| ontkome | aanvoegende wijs |
| ontkomen | verleden tijd, deelwoord |
| ontkomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkomend | onvoltooid, deelwoord |
| ontkwam | verleden tijd |
| te ontkomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontkomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontkomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontkomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontkomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontkomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontkomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontkomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontkomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontkomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontkomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontkomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van komen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontkom | gebiedende wijs | ontkomen |
| ontkome | aanvoegende wijs | ontkomen |
| ontkomend | onvoltooid deelwoord | ontkomen |
| ontkomende | woordvorm | ontkomen |
| ontkomt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontkomen |
| ontkwam | verleden tijd | ontkomen |
| ontkwamen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontkomen zijn vastgelegd.