netwerk
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈnɛtwɛrᵊkBetekenis
- stelsel van zaken of personen die nauw met elkaar in contact staan
- computernetwerk
- afbeelding in het platte vlak van alle zijvlakken van een veelvlak
Hoe spreek je netwerk uit?
/ˈnɛtwɛrək/
Netwerk bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| w | quiz |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| netwerken | meervoud |
| netwerkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| netwerkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van netwerken
- gebiedende wijs van netwerken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van netwerken
Vervoeging van netwerk
netwerkhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van net en werk
Woordfamilie van netwerk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| netwerkje | verkleinwoord | netwerk |
| netwerkjes | verkleinwoord meervoud | netwerk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van netwerk zijn vastgelegd.